Staan de geleerden onder druk van de staat?

Vraag:

Weledele Shaych, u en uw broeders vanonder de geleerden in dit land zijn Selefies en alle lof is aan Allah. Jullie manier in het adviseren van de leiders vindt plaats op een (islamitisch) vastgestelde manier zoals de profeet (صلى الله عليه و سلم) dit heeft verduidelijkt. En wij prijzen niemand boven Allah! Er zijn een aantal (mensen) die jullie verwijten dat jullie niet openlijk het slechte (al-moenkar) afwijzen en anderen excuseren jullie en zeggen:

"Waarlijk, jullie staan onder druk van de staat."

Kunt u hieromtrent een advies en verduidelijking geven voor deze mensen (die dit beweren)?

Antwoord:

De leiders zijn zonder twijfel net zoals andere mensen. Zij zijn niet feilloos (vrij van fouten) en het adviseren van hen is een verplichting. Maar het spreken over hen in zittingen en vanaf de minbar valt onder de verboden vorm van roddelen. Dit is een grotere kwaad dan het kwaad dat plaatsvindt van de leiders. Omdat dit roddelen is en vanwege hetgeen dit veroorzaakt in het aanwakkeren van fitnah, verdeeldheid en het effect dat dit heeft op de da`wah (uitnodiging).

De verplichting is het brengen van advies naar hen via veilige wegen en niet (door dit te verspreiden) in het openbaar en door middel van het verspreiden van geruchten.

Wat betreft het (slecht) spreken over de geleerden van dit land en (beweren) dat zij niet adviseren of dat zij zijn gezwicht onder de druk, dit zijn valse beschuldigingen waarmee zij de jeugd en de gemeenschap willen afscheiden van hun geleerden! Zodat de moefsid (verderfzaaier) in staat wordt gesteld om zijn kwaad te planten. Want wanneer er slecht wordt gedacht over de geleerden en de mensen hun vertrouwen in hen verliezen, dan biedt dit de mogelijkheid voor degenen met bijbedoelingen om hun gif te verspreiden.

Ik denk dat dit buitenlandse concepten zijn die dit land en haar bewoners zijn binnen getreden als zijnde een plot. Het is dus een plicht aan de moslims om hier voor op te passen!

Bron: Al-Idjabaat al-Moehiema fiel-Mashaakiel al-Moelimmah, blz. 12-13.